Straks weer wekelijkse Playlist

De weken rond de jaarwisseling gebruik ik altijd om mijn lp’s van 2020 nog eens te draaien en van een rapportcijfer te voorzien, om zodoende rond half januari mijn lijst van beste lp’s van 2020 gereed te hebben. Vandaar dat je op deze plek al twee weken geen verse playlist aantreft. Daarmee ga ik in de tweede helft van deze maand weer van start.

Playlist 14-12-2020 – 20-12-2020

  1. Wynton Kelly Trio/Wes Montgomery – Smokin’ At The Half Note (1965)
    Pat Metheny calls this “the absolute greatest jazz guitar album ever made”, staat te lezen in de recensie van Allmusic.

  2. Jimi Hendrix Experience – Live In Maui (3LP-box, 2020)
  3. Belle And Sebastian – What To Look For In Summer (2020)
    Aan het eind van dit coronajaar zijn er diverse liveplaten op de markt geslingerd, wellicht als troost voor het ontbreken van live-optredens dit jaar. Vorige week had ik al Perfectly Imperfect At The Ryman van Margo Price in mijn playlist staan en deze week komen er nog twee recent verschenen live-platen bij.
    De dubbel-lp What To Look For In Summer van Belle And Sebastian bevat opnamen van optredens die de band deed in 2019, inclusief shows op een cruiseschip. Het gebodene is een soort Greatest Hits Live met kwalitatief hoogwaardige opnamen waarbij de liedjes begeesterd worden uitgevoerd. Onmisbaar voor de fans alsmede een prima introductie voor wie de band (nog) niet kent.
    Van Jimi Hendrix lijkt door de jaren heen zo’n beetje iedere opgenomen scheet te zijn uitgebracht. Live In Maui is een van Hendrix’ laatste optredens (30 juli 1970), in dit geval voor een klein publiek van slechts een paar honderd man, op de valreep georganiseerd om de vage hippiefilm Rainbow Bridge nog wat gewicht te geven. Naar het schijnt had Hendrix er aanvankelijk weinig trek in, maar de over drie lp’s verspreide twee shows laten de man in prima vorm horen, die naast het verplichte bekende werk – Foxey Lady, Stone Free, Voodoo Child, Purple Haze, Spanish Castle Magic, Red House – ook veel toen nieuwe songs speelt, zoals Hey Baby (New Rising Sun), In From The Storm, Lover Man, Message To Love, Dolly Dagger, Villanova Junction, Ezy Ryder en Straight Ahead. En die uitvoeringen zijn het meest interessant voor de liefhebbers van Jimi Hendrix. De drie lp’s zijn fraai verpakt in een doos inclusief boekwerk.
    En terzijde: de in 1971 uitgebrachte Jimi Hendrix-lp Rainbow Bridge – Original Motion Picture Sound Track heeft niets van doen met voornoemde film (foute titel dus), maar is een – overigens prima – verzamel-lp met destijds niet eerder verschenen studio- en live-tracks uit voornamelijk 1970.

  4. Low Hums – Low Hums (2012)
  5. Low Hums – Zzyzx (2019)
    Low Hums is een meer dan aardig bandje uit Seattle, Washington, dat al een jaar of tien actief is. Tot voor kort echter waren hun platen in Nederland niet verkrijgbaar en was je aangewezen op (bijvoorbeeld) bandcamp. De band’s meest recente lp, getiteld Zzyzx, dateert van 2019 maar dook in oktober van dit jaar op bij distributeur Clear Spot en is dus gewoon bij je platenboer te bestellen.
    Low Hums maakt op Zzyzx (de bands vijfde langspeler) psychedelische, fuzzy gitaarrock met soms een verdwaald orgeltje. Op ondermeer Supernova en The Heat klinkt de band als een poppy uitvoering van Wooden Shjips. Het laatste nummer van de lp – Spaced Out Mind – behoort tot de hoogtepunten en zit muzikaal ergens halfweg tussen Pink Floyd en The Dream Syndicate.
    Wereldschokkend is het echter allemaal niet. Maar – zoals zo vaak – is het debuutalbum van de band veel beter, en is die lp wel degelijk een vette aanrader voor liefhebbers van psychedelische laid-back gitaarrock. Op die eerste, in 2012 verschenen – titelloze – lp van Low Hums staan ondermeer het slepende Hands First Flower waarin een pedalsteel rondspookt, en het trage en dreigende Black Rabbit. Kantje 2 opent met twee nummers waarin de rustige kant van de band aan bod komt: het ingetogen semi-akoestische Lightning Pass My Way met man/vrouw harmoniezang en het van een mooie melodie voorziene Soft Eyes, dat me zelfs heel even doet denken aan Pearls Before Swine. Op Red Sky’s Warning krioelen de gitaren weer lekker in het rond en speelt als gast Phil Wandscher mee – ooit gitarist naast Ryan Adams in Whiskeytown en later met Jesse Sykes spelend in Jesse Sykes & The Sweet Hereafter.
    Overigens is de lp Low Hums voor slechts $5 te koop via bandcamp!

Playlist 7-12-2020 – 13-12-2020

  1. David Nance – Staunch Honey (2020)
    Met Staunch Honey heeft David Nance een voor zijn doen “rustige” lp gemaakt, maar wel een lekker rauwe. Met slechts op enkele nummers wat personele hulp heeft hij de plaat grotendeels in zijn eentje volgespeeld. Het geluid is lofi maar zeker niet kaal, zo zijn er vaak meerdere gitaren tegelijk te horen, zoals in Learn The Curve waar de gitaren losjes langs elkaar heen soleren. My Love, The Dark And I lijkt een beetje op Buffy Sainte-Marie’s Cod’ine. En het begin van de zanglijn van Save Me Some Tears zou bijna voor een kampvuuruitvoering van Let It Bleed van The Stones kunnen doorgaan.
    When The Covers Come Off is een luchtig bluesje en Sell It All Night is meer boogie, een beetje in het straatje van T-Rex. Black Mustang valt op door het akoestische gitaarwerk. In de instrumentale afsluiter (met ruim 6 minuten het langste nummer van de plaat) speelt Nance vuige gitaarsolo’s – op momenten zelfs twee door elkaar – op een simpele ondergrond van bas, drums en percussie.
    Het mag allemaal lekker relaxt klinken, vrijblijvend is het zeker niet. Eerder bijzonder intrigerend.

  2. Rebecca And The Sunny Brook Farmers – Birth (1969, 2020-rerelease)
    Dit is een typische eind-jaren-60-lp, waarop de muziek overigens alle kanten opschiet. Je hoort ondermeer psychedelische rock, folk, countryrock en bluesrock; van de lieflijke psychedelica op Two Blind Sisters en Ma-Ma (met een fijne tempowisseling tussen couplet en refrein) tot het heftige en gelaagde anti-oorlognummer What Do You Think Of The War. En dan worden diverse liedjes ook nog verrijkt met fijne achtergrondkoortjes.
    Naast gitaar is er veel ruimte voor orgel en viool, zoals dat instrument eind jaren 60 ook gebruikt werd door bijvoorbeeld The Flock en It’s A Beautiful Day. Ilene Rappaport – wier leadzang wordt afgewisseld door Mickey Kapner, de andere leadvocalist – kan ongeveer net zo’n strot opzetten als Janis Joplin, zoals bijvoorbeeld te horen is in Love.
    De wijze waarop de viool schittert in openingsnummer Oh Gosh doet me denken aan de legendarische eerste lp van Comus. Better Dead Than Red heeft – mede door het enigszins gedateerd klinkende middenstuk met zijn oorlogsgeluiden – wel wat van The Unknown Soldier van The Doors. En ook in What Do You Think Of The War, dat andere nummer van de lp waarin de oorlog onderwerp is, zijn The Doors niet ver weg.
    Hoewel het niveau van een Jefferson Airplane of The Doors misschien niet helemaal gehaald wordt, is Birth – met louter eigen composities – een zeer aangename verrassing van Rebecca And The Sunny Brook Farmers uit Pittsburgh. Het zou hun enige lp blijven.

  3. Grant Green – Alive! (1970)
    Vier lange nummers staan er op deze live-lp van jazzgitarist Grant Green. Let The Music Take Your Mind van Kool & The Gang en Don Covay’s Sookie Sookie hebben beide een funky ritme, wat gecombineerd met Green’s verfijnde gitaarwerk – naast solo’s op tenorsax en orgel – zorgt voor een swingend geheel. De diep rollende bas in met name eerstgenoemd nummer doet zelfs denken aan James Brown. De andere twee nummers zijn wat meer ingetogen. Het 10:30 minuten durende Time To Remember is voorzien van een lekker loom ritme en bevat ondermeer een vibrafoonsolo!

  4. Margo Price – Perfectly Imperfect At The Ryman (2020)
    Van Margo Price verscheen eerder dit jaar de lp That’s How Rumors Get Started. Perfectly Imperfect At The Ryman is een in The Ryman in Nashville – verspreid over drie dagen – opgenomen liveplaat waarvoor Price zowel Emmylou Harris als Jack White wist te strikken voor een duetje, en waarop Sturgill Simpson enkele flitsende gitaarsolo’s mag etaleren in Rodney Crowell’s Ain’t Loving Long Like This. De opnamen dateren van mei 2018, waren eerder dit jaar al op internet te horen en zijn nu alsnog op dubbel-lp uitgebracht.
    Price speelt werk van haar eerste twee studio-albums – Midwest Farmer’s Daughter en All American Made – en doet naast de cover van Rodney Crowell ook Proud Mary van John Fogerty (waarbij ze meer de uitvoering van Ike & Tina Turner volgt). Met Jack White vertolkt ze diens Honey, We Can’t Afford To Look This Cheap. En in de verrukkelijke medley Hurtin’ On The Bottle is Willie Nelson’s Whiskey River verwerkt.
    Het publiek is enthousiast, de band (met naast gitaren, bas en drums onder meer toetsen, pedalsteel, cello, violen en een achtergrondkoortje met onder anderen Caitlin Rose) speelt prima en Price zingt de sterren van de hemel.

  5. Thelonious Monk – Palo Alto (Live October 27, 1968) (2020)
    Een schitterende dubbel-lp die alweer een paar maanden uit is en terecht behoorlijk wat publiciteit heeft gekregen. Ik heb daar verder weinig meer aan toe te voegen.

Playlist 30-11-2020 – 6-12-2020

  1. Freddie Hubbard – Straight Life (1970)
  2. Freddie Hubbard – Red Clay (1970)
    One of the great jazz trumpeters of all time, zo begint Allmusic de (mini)biografie van trompettist en bugelspeler Freddie Hubbard (1938-2008). Hubbard werkte in de jaren 50 en 60 samen met veel grote namen in de jazzwereld en vanaf 1960 verschenen er ook platen onder zijn eigen naam. In 1970-1971 kwamen er drie lp’s van hem uit die in een bredere kring dan het jazzwereldje opvielen en goede kritieken kregen. Het zijn de albums Red Clay (1970), Straight Life (1970) en First Light (1971), albums waarop Hubbard elementen van soul, funk en rock combineert met de jazz waarin zijn speelstijl is geworteld. Mijn favoriet van Freddie Hubbard is Straight Life, de tweede lp van genoemd drietal en de lp waarop Hubbard het meest rockinvloeden toelaat in zijn muziek.
    Het plaatkantlange titelnummer van de in december 1970 uitgebrachte lp Straight Life bevat opwindende jazzfunk, met een behoorlijk freakerige solo van saxofonist Joe Henderson, een spetterende solo van Hubbard, gevolgd door solos’s van Herbie Hancock op piano en gitarist George Benson. Ook drummer Jack DeJohnette mag even los, ritmisch ondersteund door Hancock, bassist Ron Carter en de percussie van Richard Landrum. Ook het acid jazznummer Mr. Clean bevat een aaneenschakeling van fantastische solo’s van trompet en sax gevolgd door toetsen en gitaar. En net als op Straight Life wordt ook hier weer die swingende basis gelegd door (elektrische) piano, bas en drums/percussie. Here’s That Rainy Day – met ruim vijf minuten met afstand het kortste nummer van de lp – is de romantische soulvolle afsluiter na alle opwinding, met Hubbard solerend over een rustiek bedje van subtiel gitaarspel en bas.
    Red Clay – opgenomen zonder gitarist – klinkt wat minder heftig dan Straight Life maar doet er verder weinig voor onder. Ook hier zijn er fraaie bijdragen van pianist Herbie Hancock en saxofonist Joe Henderson. Op het uit 1971 daterende First Light gaat Hubbard weer een stapje verder door het toevoegen van orkestraties. Het gevolg is een commerciëler geluid met meer soul en minder funk dan Straight Life.

  3. Alien Mustangs – Beat Of The Earth (2020)
    Beat Of The Earth is het tweede album van de Griekse band Alien Mustangs. Openingsnummer Sound Of No Future zit ergens tussen Spacemen 3 en vintage Pink Floyd in, en met name die Spacemen 3-link is er ook in het uitgerekte, nagenoeg instrumentale Fairy Meadows, waarin de elektrische gitaar herhalende riffjes speelt boven een stevige beat van bas en drums en een ‘drone-orgel’. Illusions is sixties psychedelica.
    Darklands drijft aanvankelijk op een stevige gitaarriff waaroverheen enkele zanglijntjes zijn uitgezet; in het middenstuk zijn voorzichtige gitaarexercities te horen op een fundament van bas en drums. Slotstuk Waiting For The Dawn is het meest dromerige nummer van de lp.
    De trippy psychrock met shoegaze-invloeden op Beat Of The Earth biedt niets vernieuwends, maar dit is wel een heel lekkere plaat.

  4. Sam Burton – I Can Go With You (2020)
    Sam Burton groeide op in Salt Lake City, woont tegenwoordig in Los Angeles en brengt al jaren cassettes uit met zijn liedjes. I Can Go With You is zijn eerste volwaardige album. Burton beweegt zich in het country-folkidioom en doet me op zijn debuut-lp denken aan jaren 60 singer-songwriters als Fred Neil en Eric Andersen, zowel wat betreft de structuur van zijn liedjes als de sfeer die zijn muziek bij mij oproept. Deze lp had even goed 55 jaar geleden gemaakt kunnen worden, ook al door de sobere begeleiding van wat gitaren, en met mate bas en drums, toetsen, pedalsteel, strijkjes en af en toe een tweede (vrouwen)stem. Veel van zijn liedjes klinken droefgeestig, wat enerzijds komt door het gezapige tempo van de nummers en anderzijds een gevolg is van ‘s mans zang die in de hoek zit van Roy Orbison en Marlon Williams. Een nummer als Why Should You Take Me There heeft ook wel iets van Williams.

  5. Holy Motors – Horse (2020)
    Spill Magazine heeft het over een psychedelic spaghetti western template en Sputnik Music hoort een mix van country en dream pop. Voeg daar nog een beetje surf aan toe en een zangeres die heerlijk loom zingt begeleid door twangy gitaren, en je hebt een idee hoe de muziek van Holy Motors te duiden. Inderdaad, zeker niet heftig, wel een tikje desolaat. Al met al klinkt de band behoorlijk Amerikaans, maar Holy Motors komt uit Estland!
    Zeven prima nummers staan er op Horse en een missertje, namelijk Road Stars met flauwe vraag-en-antwoord-zang.

Playlist 23-11-2020 – 29-11-2020

  1. Mazzy Star – Ghost Highway (2LP 2020)
    Begin dit jaar overleed David Roback aan de gevolgen van kanker. Het zal wellicht aanleiding zijn geweest om de vijf jaar geleden op cd uitgebrachte live-opnamen van twee shows uit 1994 – beide voor een enthousiast publiek – nu ook als dubbel-lp uit te brengen, met een extra nummer.
    Van Mazzy Star ben ik al een kwart eeuw fan. Hope Sandoval’s bekende lijzige en ietwat kinderlijke zang heeft zowel iets erotiserends als afstandelijks. En David Roback – ooit begonnen in de ultra-psychedelische paisley underground band The Rain Parade – was haar ideale muzikale partner, die haar teksten voorzag van een soort van sombere psychedelica.
    De dubbel-lp Ghost Highway bevat klassieke Mazzy Star-songs als Flowers In December, Halah en Fade Into You, met een heerlijk zeurende slide-gitaar. En er staat een mooie ingetogen uitvoering op van Into Dust, waarop Sandoval zes minuten lang slechts wordt begeleid door akoestische gitaar en viool. Ook zijn er twee prima covers te vinden op deze live-registaties: Give Me Your Lovin’ met een slepende gitaar en het ‘zware’ psychedelische Blue Flower, geschreven door Peter Blegvad en Anthony Moore voor de debuut-lp Sort Of van Slapp Happy (1972) en door Mazzy Star geheel naar zich toe getrokken. Roback’s gitaar klinkt hier veel vuiger dan op de studio-uitvoering, hetgeen overigens geldt voor meer liedjes hier, zoals bijvoorbeeld Ghost Highway.
    Enkele nummers staan dubbel op dit album, aangezien het opnamen van twee shows betreft. Maar dat is geen probleem, temeer daar de uitvoeringen in (atmo)sfeer van elkaar verschillen. Het geluid van de tweede show is – laten we zeggen – aardser.
    Het bonusnummer is een in 1993 opgenomen bijna 8 minuten durende, mede door een drone-orgeltje, spookachtig klinkende Mary Of Silence, in een sneller tempo uitgevoerd dan op de lp So Tonight That I Might See.

  2. Uncle Tupelo – Live At Lounge Ax, Chicago / March 24, 1994 (2LP Black Friday 2020)
  3. Drive-By Truckers – Plan 9 Records July 13, 2006 (3LP Black Friday 2020)
    Tussen heel veel overbodige speciale Black Friday 2020-releases zaten twee live-albums van bands die op het punt stonden te imploderen, maar in hun steropstellingen nog een laatste keer wisten te schitteren.
    Luttele maanden voordat de band door Jay Farrar wordt opgedoekt speelt Uncle Tupelo een soort van greatest hits live waarbij het oorspronkelijke trio – zanger/gitarist Jay Farrar, zanger/gitarist/bassist Jeff Tweedy en drummer Ken Coomer – is aangevuld met bassist/gitarist John Stirratt en multi-instrumentalist Max Johnston. Het zorgt voor een mooi vol geluid met veel gitaren naast banjo, mandoline, pedalsteel en fiddle. Van het op handen zijnde einde van Uncle Tupelo is hier weinig te merken, hooguit dat er nauwelijks onderlinge communicatie of interactie met het publiek is te horen.
    Ten opzichte van een eerder verschenen semi-bootleg cd Live In Chicago ‘94 (met opnamen van hetzelfde concert) bevat deze dubbel-lp vier nummers extra. En er staan hoogtepunten te over op. Ik noem een furieuze uitvoering – compleet met fiddle – van de traditional Satan, Your Kingdom Must Come Down, de prachtig, door Farrrar slepend gezongen – zoals hij dat zo mooi kan – trage nummers Anodyne en High Water, het laatste nummer met onder meer mandoline en mondharmonica, het afwisselend heftige en ingetogen Postcard, en natuurlijk de Uncle Tupelo-classic Whiskey Bottle, hier in een uitvoering van zeven minuten. En als toetje een cover van CCR’s Effigy.
    Een andere interessante Black Friday-release is de complete benefietshow – op drie lp’s – die de band Drive-By Truckers gaf in de winkel Plan 9 Records. In een bij het album (gestoken in genummerde, van elkaar verschillende bootlegachtige hoezen met vage foto’s in één kleur) gevoegde inlegvel schrijft DBT-voorman Patterson Hood dat de band in 2006 in een moeilijke periode zat. Het dat jaar uitgebrachte album A Blessing And A Curse was met minder enthousiasme ontvangen dan het twee jaar eerder verschenen – inderdaad briljante – The Dirty South, er ontstonden onderlinge wrijvingen, er werd teveel gedronken en sommige bandleden waren bezig een gezinnetje te stichten waardoor het touren hen zwaar viel. Om financiële redenen had de band er in toegestemd die zomer als voorprogramma op te treden van The Black Crowes, als eerste van drie bands die 35 minuten mochten spelen. Zacht uitgedrukt een weinig inspirerende ervaring. Middenin deze tournee kreeg de band de uitnodiging om voor een paar flessen whiskey een show van twee uur te geven voor een klein publiek – er pasten niet veel meer dan 200 mensen in de winkel.
    Het zal waarschijnlijk het laatste spetterende optreden zijn geweest van de zesmansband in die ijzersterke line-up met de drie gitaristen Patterson Hood, Mike Cooley en Jason Isbell, bassiste Shonna Tucker, drummer Brad Morgan en pedalsteel-man John Neff. Hood zelf vond het het beste optreden dat de band in die periode heeft gegeven en omschreef het als loose and raggedy at times, yet somehow also tighter than shit. Inderdaad spat het enthousiasme uit de speakers en klinkt de band hier lekker gruizig, zeker als je het geluid vergelijkt met dat van de uit 2015 daterende 5LP box It’s Great To Be Alive. Een ander verschil is de op het Plan 9 Records-optreden aanwezige pedalsteel van John Neff. Enig minpuntje vind ik persoonlijk het ontbreken van Isbell’s topnummer Danko / Manuel, maar je kan nu eenmaal niet alles hebben.

  4. Ike Quebec – Blue & Sentimental (1962)
    Door Allmusic omschreven als a superbly sensuous blend of lusty blues swagger and achingly romantic ballads. Naast tenor-saxofonist Ike Quebec schittert op deze ingetogen jazzplaat vooral ook gitarist Grant Green met zijn subtiele spel.

  5. Josephine Foster – No Harm Done (2020)
    De uit Colorado afkomstige singer-songwriter Josephine Foster is alweer zo’n 20 jaar actief en heeft inmiddels een behoorlijk indrukwekkend oeuvre opgebouwd. No Harm Done is haar meest recente album. Je moet wel tegen die hele hoge zangstem van Foster kunnen, maar dan heb je met No Harm Done een fraai album vol ingetogen folk-blues americana, gebracht met (veelal) akoestische gitaren, bas, pedalsteel en piano.

Playlist 16-11-2020 – 22-11-2020

  1. Chris Stapleton – Starting Over (2020)
    Nog net op tijd voor de jaarlijstjes verschijnt van Chris Stapleton een van de mooiste albums van 2020. Starting Over is zijn vierde lp en voorlopig zijn beste en meest gevarieerde. Veel liedjes van Stapleton hebben country-roots en er staan zeker ook enkele pure, ingetogen countryliedjes op deze dubbel-lp, waaronder Old Friends en Nashville, TN (beide met achtergrondvocalen van Chris’ vrouw Morgane) die niet hadden misstaan op Guy Clark’s meesterwerk Old No.1. Of neem het gevoelige When I’m With You.
    Maar er is meer. Het begint al met Stapleton’s rauwe en intense zang, die een beetje in de hoek zit van John Hiatt en John Fogerty. En over Fogerty gesproken: nummers als Devil Alway Make Me Think Twice en Arkansas doen me denken aan een Creedence-nummer als Green River. De sombere begeleiding met strijkjes in Cold refereert dan weer aan de muzikale omlijsting van veel Tindersticks-songs. De melodie van het couplet van Maggie’s Song heeft wel wat van een trage uitvoering van The Weight van The Band. Whiskey Sunrise is een slepende song met rustige coupletten en bijna schreeuwende refreinen inclusief vet gitaarwerk. En ook in de boogierock up-tempo song Worry B Gone zit een heerlijke gitaarsolo.
    Starting Over – gestoken in een nagenoeg witte klaphoes – eindigt ongetwijfeld heel hoog in mijn jaarlijstje van 2020.

  2. Uncle Tupelo – No Depression (1990)
    Nog een favoriet van mij van 30 jaar geleden in het kader van de beste albums van 1990 gekozen door de Platenbladlezers (lees er alles over in Platenblad 256 dat 28 november verschijnt). Uncle Tupelo’s baanbrekende mix van punk en country leverde een van de beste altcountryplaten op. Ik hoef de gitaarriff in openingssong Graveyard Shift maar te horen en ik ben verkocht.

  3. Donald Byrd – Ethiopian Knights (1972)
    Trompettist Donald Byrd laat op deze lp een geweldige mix van acid-jazz en funk horen. Slechts drie nummers telt Ethiopian Knights, waarvan het 17:41 minuten durende The Little Rasti in het begin een gitaarsolo heeft die in aanvang wel wat weg van Robbie Krieger’s solo in Light My Fire.

  4. Sonny Rollins – The Cutting Edge (1974)
    Opnamen van Sonny Rollins van zijn optredens tijdens het Montreux Jazz Festival 1974.
    Titelsong The Cutting Edge is funky jazz waarin Rollins’ sax soleert op een bedje van drums en conga’s. To A Wild Horse en A House Is Not A Home zijn meer ingetogen, maar op de een klein kwartiertje durende bewerkte traditional Swing Low, Sweet Chariot zit de ‘swing’ er weer goed in met naast de tenorsax ook solo’s op elektrische gitaar en bas, plus een gastoptreden van Rufus Harley op doedelzak! (Volgens Allmusic is Harley de enige jazz-doedelzakspeler ter wereld.) Nooit gedacht dat ik ooit nog eens met plezier naar een doedelzak zou luisteren (ingebed in een swingende jazz-band, dat dan weer wel).

  5. The Spyrals – Same Old Line (2020)
    De muziek van Los Angeles-band The Spyrals is het best te omschrijven als psychedelisch bluesrock. Eenvoudig opgezette songs die gekenmerkt worden door de ietwat afgeknepen zang van frontman Jeff Lewis en veel en fijn gitaarwerk van hem op een stevige basis van bas en drums. Same Old Line is de band’s vierde lp waarop invloeden zijn te horen van The 13th Floor Elevators tot mid jaren 60 Stones.

Playlist 9-11-2020 – 15-11-2020

  1. Able Tasmans – Hey Spinner! (1990)
    Het decembernummer van Platenblad is traditiegetrouw voor een flink deel gevuld met door lezers gemailde lijstjes met hun top 10 van 30 jaar geleden. Dit jaar is dus 1990 aan de beurt. Altijd leuk en verrassend om weer eens naar lp’s te luisteren die al jaren niet uit de hoes zijn gekomen. Mee- en tegenvallers wisselen elkaar af. In die eerste categorie valt zeker de Nieuw-Zeelandse band Able Tasmans, genoemd naar de Nederlandse ontdekkingsreiziger die als eerste Europeaan voet zette op Nieuw-Zeeland. De band is geformeerd rond zanger/gitarist/toetsenist/liedjesschrijver Graeme Humphreys. Het (uiteraard zou ik bijna zeggen) op Flying Nun verschenen vergeten meesterwerkje Hey Spinner! is de derde lp van de band (na de mini-lp The Tired Sun uit 1985 en A Cuppa Tea And A Lie Down uit 1986). Muzikaal zitten ze in de hoek van bands als The Clean, The Chills en The Go-Betweens, maar de muziek heeft wat meer haakjes, is speelser, verrassender en spannender. De licht neurotische opener Dileen heeft dat typische Flying Nun-toontje, waarna Angry Martyr aan vroege R.E.M. doet denken. Het nummer Michael Fay overrompelt met een heftig en lang instrumentaal intro. Of neem de titelsong, die met zijn duizelingwekkende tempowisselingen bijna luistert als een mini-symfonie. Hey Spinner! bevalt me nu dan ook beter dan de eveneens in 1990 verschenen lp’s van The Clean (Vehicle) en The Chills (Submarine Bells), en behoort volgens mijn mening zondermeer tot de beste Flying Nun-releases.

  2. The Left Outsides – Are You Sure I Was There? (2020)
    We worden maar verwend. Minder dan een half jaar na het uitbrengen van de verstilde liveplaat A Place To Hide, is er nu een lp met elf nieuwe nummers van het duo Alison Cotton en Mark Nicholas. En wederom is dit een schitterende acid-folkplaat geworden. Met onder veel meer moois het door cello/viool duister gehouden en gedragen gezongen Séance, het trage met uitwaaierende/echoënde gitaren en een korte emotierijke vioolsolo versierde Things Can Never Be The Same Again, en de prachtige lange instrumentale uitloop van My Reflection Once Was Me met viool en gitaar.

  3. Garcia Peoples – Nightcap At Wits’ End (2020)
    Dit is alweer de vierde lp in iets meer dan twee jaar tijd van deze Amerikaanse groep, die in haar muziek psychedelische rock van rond 1970 mengt met flarden prog en boogie, en dat met veel smaakvol gitaarwerk (de band heeft tenslotte niet voor niets haar naam geleend van Grateful Dead-legende Jerry Garcia). De eerste plaatkant bevat vijf losse nummers, die net wat minder beklijven dan wat ik op vorige lp’s van de mannen hoorde (maar dit blijkt wel een groeiplaatje te zijn). Bij mij is het vooralsnog vooral kantje 2 waarmee de band scoort, en hoe. De afzonderlijke nummers zijn hier in een soort van suite (vergelijk kant 2 van Abbey Road) tot een indrukwekkend geheel gesmeed, uiteenlopend van folkrock tot psychedelische progrock.

  4. The War And Treaty – Hearts Town (2020)
    Mooie mix van neo-soul en rock met tevens duidelijke gospel-invloeden, met gloedvolle samenzang van het echtpaar Tanya en Michael Trotter jr., wier stemmen wel heel mooi bij elkaar passen. Het nummer Lonely In My Grief heeft iets van Heartbreak Hotel.

  5. (Ex aequo)
    Fleur – Fleur (2020), Benjamin B. – Benjamin B. (cassette 1995, lp 2020)
    Ik ben geen liefhebber van de muziek van The Kik, maar Kik-leden Dave von Raven en Arjan Spies blijken meer in hun mars te hebben. Zo zijn zij de mannen achter het retro-project Les Robots en schreven ze liedjes voor de Brabantse zangeres Floor Henkelman, van wie onlangs onder de artiestennaam Fleur op het Spaanse Bickerton label (waarop ook de platen van Les Robots worden uitgebracht naast meer – jonge – Nederlandse acts) de debuut-lp verscheen. Les Robots verzorgden ook de puike begeleiding – geheel in sixties-stijl – op Fleur’s titelloze debuut-lp en Spies en Von Raven produceerden de plaat. En Fleur heeft een hele fijne plaat gemaakt waarop ze alle liedjes in het Frans zingt en waarop het lijkt of je naar een lp van een Frans beatmeisje (yé-yé girl) uit de jaren zestig luistert, denk daarbij aan France Gall of Francoise Hardy. Bijzonder charmant.
    Een in 1995 opgenomen cassette van het trio Banjamin B. leverde de band destijds een platencontract op bij Excelsior. 25 jaar na dato is deze cassette via crowdfunding uitgebracht op lp. En Benjamin B. blijkt een hele leuke plaat die anno 2020 nog opmerkelijk fris klinkt, gemaakt door drie jonge Groningers – zanger/gitarist/liedjesschrijver Phybeau (of Fiebo), bassiste Barbara en drummer Michel. Twaalf liedjes, heel basic opgenomen, die elk gemiddeld zo’n 2½ minuten duren en die zeker schatplichtig zijn aan Nirvana. Je zou de muziek van Benjamin B. op deze lp kunnen karakteriseren als een poppy variant van Nirvana, waarbij ook meespeelt dat Fiebo’s zang op zijn minst doet denken aan Kurt Cobain. De tweede stem van Barbara op veel nummers is een gouden greep, het geeft de liedjes iets eigens en een extra kleurtje.

Playlist 2-11-2020 – 8-11-2020

  1. White Dog – White Dog (2020)
    Op Allmusic hebben ze er een rommeltje van gemaakt met White Dog, want onder deze naam worden de albums Sydney Limits en White Dog aan een en dezelfde band gelinkt. FOUT dus, want het betreft hier twee totaal verschillende bands. Sydney Limits is een plaat van een hardcoreband uit Australië en dat is niet mijn kopje thee, en daar gaat dit stukje dan ook niet over. We hebben het hier over het onlangs verschenen titelloze debuutalbum van een vijftal uit Austin, Texas, in de opstelling zanger, bassist, drummer en twee gitaristen.
    De hoes zou er een van The Allman Brothers Band kunnen zijn – mannen in spijkerbroeken uit de jaren 70, en inderdaad hebben we hier te maken met onvervalste southern rock (zonder toetsen evenwel), maar wat is dit een heerlijke bak southern rock waarin met name het gitaarwerk van The Allman Brothers in herinnering wordt geroepen.
    Even is er de eerste minuut de vrees dat dit een plaat is vol platgetreden rock-clichés is. Nou, die rock-clichés zijn er zeker ook wel, maar de aangename breaks en de snelle en vloeiende gitaarsolo’s in opener Sawtooth zijn meteen al onweerstaanbaar, zoals ook de tempoversnelling halverwege het meer naar boogierock neigende Black Powder. Snapdragon klinkt behoorlijk poppy, heeft een korte jazzy gitaarsolo en gaat tegen het einde alsnog in de versnelling met flitsend gitaarwerk. Crystal Panther toont aan dat je op een uiterst simpele Black Sabbath- c.q. Status Quo-achtige gitaarlick en dito zanglijnen een opwindend nummer kunt bouwen met puntige en kristalheldere gitaarsolo’s die – heel erg retro-stereo – strikt uit de linker- dan wel rechterbox tot je komen. En net als je denkt dat je met Pale Horse bij de ballad van de plaat bent aanbeland, is daar weer de break in een nummer met verder diverse tempowisselingen. Afsluiter Versus Cultus knipoogt zowel naar Led Zeppelin als Black Sabbath.
    White Dog is kortom een verademing in een tijd waarin ik bij voorbaat al een beetje moe word van al die thuisgemaakte coronaproof neuzelplaten.

  2. The Grateful Dead – Buffalo Memorial Auditorium, New York, 5/9/77 (5LP box RSD 2020)
    Het is een beetje een traditie geworden: ieder jaar verschijnt er in het kader van Record Store Day een doos vol lp’s met daarop een concert van The Grateful Dead. Dit jaar betreft het een box met verspreid over vijf lp’s een show die de band gaf op 9 mei 1977 in New York. De sticker op het plastic vermeldt: Features arguably the best-ever renditions of Help>Slip>Franklin’s & Comes A Time. Teveel gezegd? Welnee. Nadat de heren en dame voorzichtig beginnen te spelen, lijkt de band binnen luttele seconden in een flow te geraken, die pas stopt na dik 27 minuten, waarin het drieluik Help On The Way/Slipknot/Franklin’s Tower de revue passeert (enkel onderbroken door het omdraaien van de lp). Het samenspel is weergaloos, pure magie die mij als luisteraar in een soort van trance brengt.
    Het andere hoogtepunt is inderdaad het 11:34 minuten klokkende Comes A Time (niet het Neil Young-nummer), dat heel ingetogen wordt gebracht met fraaie harmoniezang van Jerry Garcia en Donna Jean Godchaux, ingehouden gespeelde gitaarsolo’s van Garcia en een heerlijk pingelenge piano van Keith Godchaux.

  3. Lou Donaldson – Alligator Bogaloo (1967)
  4. Lou Donaldson – Hot Dog (1969)
    Evenals Donald Byrd (zie mijn playlist van vorige week) was altsaxofonist Lou Donaldson een jazzman die in latere jaren ook buiten de jazz zijn mogelijkheden verkende, hetgeen in de tweede helft van de jaren 60 een aantal smakelijke lp’s in een funky soul-jazz hoek opleverde met titels als Alligator Bogaloo, Mr. Shing-A-Ling, The Midnight Creeper en Hot Dog. Het zijn platen waarop de jazz wordt gepopulariseerd middels een strakke, dansbare beat, die daardoor de nummers wat meer de kant van de popmuziek doen opschuiven. Het is het type muziek dat bijvoorbeeld prima past in blaxploitationfilms. En Donaldson doet dat op voornoemde lp’s zonder bas; de ritmesectie bestaat uit drums en orgel.
    De titelsong van Alligator Bogaloo wordt in de liner notes omschreven als groovy jazz with an accented beat. Inderdaad, op een simpele beat hoor je een kleine zevende minuten stuwende en dansbare jazz, met naast Donaldson’s sax een prominente rol voor het hammondorgel van Lonnie Smith. One Cylinder bevat onder meer een subtiele gitaarsolo van George Benson. Ook de overige nummers onderscheiden zich door een krachtige beat waarover heen lustig wordt gesoleerd door sax, cornet, orgel en gitaar. Alleen de afsluiter is een melancholische ballad met alle ruimte voor Donaldson’s ingetogen spel.
    Hot Dog wordt volgespeeld door een kwintet, met naast Donaldson op altsax, Ed Williams op trompet, gitarist Melvin Sparks, organist Charles Earland en drummer Leo Morris. Hot Dog klinkt nog een stukje commerciëler dan Alligator Bogaloo, zoals in het openingsnummer Who’s Making Love met zijn dosis funk en warrige zang. Hoogtepunt van deze plaat is het door Donaldson gecomponeerde Turtle Walk, een bijna 8 minuten durend op een door ritmisch drumwerk en pompende hammond neergelegde strakke beat swingend nummer met achtereenvolgens solo’s op sax, trompet, gitaar en orgel. Verder staat hier ook weer een prachtige ballad op, te weten Bonnie met gevoelig spel van Donaldson ondersteund door subtiele veegdrum, korte gitaaraanslagen en een zuigend orgel.
    Zowel Alligator Bogaloo als Hot Dog verscheen op het fameuze jazzlabel Blue Note. Tot slot alle lof ook voor de fraaie lp-hoezen.

  5. Smokescreens – A Strange Dream (2020)
    De muziek doet eerder een Australische of Nieuw-Zeelandse band vermoeden, maar Smokescreens komen gewoon uit de VS. Wel is deze derde lp van de band (eigenlijk een mini-lp met acht nummers in ongeveer 23 minuten) geproduceerd door de Nieuw-Zeelandse cultheld David Kilgour. Allmusic schrijft over A Strange Dream ondermeer: On A Strange Dream, they craft a sound that’s very much in line with the work of mid-period Clean and other Flying Nun bands like the Bats and the Chills with very jangly electric guitars over strummed acoustic guitars, a lively rhythm section, and plaintive lead vocals singing alternately uptempo, hooky pop songs and midtempo ballads that give the heartstrings a tender trill.

Playlist 26-10-2020 – 1-11-2020

  1. The Rolling Stones – Between The Buttons (1967)
    1967 was een hectisch jaar voor The Rolling Stones. Zowel Jagger, Richards als Brian Jones werden gearresteerd voor het in bezit hebben van drugs. Daarnaast was de popmuziek volop in ontwikkeling en wilden de Stones niet achterblijven en zochten – na de testosteron-rock en rhythm & blues van Aftermath (het eerste Stones-album met louter eigen composities) – hun weg in de psychedelica. Twee lp’s verschenen er in 1967 van de band, het alom roemruchte Their Satanic Majesties Request en voorafgaand daaraan het te vaak over het hoofd geziene Between The Buttons. Twee lp’s waarop de band op de psychedelische toer ging, en waarop – zeer Stones atypisch – de elektrische gitaar minder prominent aanwezig is ten faveure van meer toetsen en veelal door Brian Jones bespeelde (exotische) instrumenten. Maar waar de groep op Satanic in een aantal nummers te geforceerd psychedelisch wil klinken, bestaat Buttons (the most pop-oriented album the group ever made, aldus Allmusic) uit een verzameling wonderschone liedjes, waarop anno nu hooguit kritiek valt te hebben op de wat modderige productie. (Het was de laatste lp waarop de producer credits gingen naar Andrew Loog Oldham, die later in 1967 gedwongen terugtrad als manager/producer van de band.) De dsd remaster op vinyl uit 2003 die ik heb klinkt overigens helderder dan mijn Nederlandse Decca persing uit de jaren 70.
    Between The Buttons is de lp waarop de Stones muzikaal tegen The Kinks aanschurken. Onder meer Cool, Calm & Collected en het sterk music hall-achtige Something Happened To Me Yesterday zijn qua muziek typische Kinks-nummers.
    Een van de hoogtepunten van de plaat is het breekbare Back Street Girl, met akoestische gitaar en door Brian Jones bespeelde accordeon, dat ik persoonlijk reken tot de mooiste Stones-liedjes, hoewel het natuurlijk geen donder met rock-‘n-roll heeft uit te staan. Vuige rock is slechts sporadisch te horen op Between The Buttons, zoals op Please Go Home, maar dan wel rock die overgoten is met een flinke klodder psychedelische saus.
    Opmerkelijk vind ik dat het Britse NME over Between The Buttons schrijft: ‘Between the Buttons’ is packed with eclectic gems: music-hall curveball ‘Something Happened to me Yesterday’, the fame-wary ‘Yesterday’s Papers’ and of course the classics, ‘Let’s Spend the Night Together’ and ‘Ruby Tuesday’, songs so recyclable they’re part of the British conscience… Opmerkelijk omdat op de originele Engelse/Europese release noch Let’s Spend The Night Together (dat er ook niet zo op past), noch Ruby Tuesday staat. Deze twee nummers kwamen later wel terecht op de Amerikaanse Between The Buttons, die daardoor echter Back Street Girl en Please Go Home moest missen. U begrijpt het waarschijnlijk al, de originele Engelse uitgave is te prefereren boven de Amerikaanse.
    Na Satanic volgde in 1968 de terugkeer naar de rock-‘n-roll met het gouden Stones-kwartet Beggars Banquet, Let It Bleed, Sticky Fingers en Exile On Main St. (met daartussen Get Yer Ya-Ya’s Out, de volgens velen allerbeste liveplaat van de Stones). Their Satanic Majesties Request werd in de loop der jaren een soort van cultalbum, maar over Between The Buttons had niemand het meer. Mick Jagger zelf liet zich achteraf laatdunkend uit over deze lp. Zeer ten onrechte; voor mij is Between The Buttons de vijfde Stones-klassieker.

  2. Jon Mckiel – Memorial Ten Count (2017)
  3. Jon Mckiel – Bobby Joe Hope (2020)
    Jon Mckiel is een Canadese singer-songwriter die op zijn uit 2017 daterende album Memorial Ten Count liedjes maakt die dikwijls net even afwijken van het gebruikelijke couplet-refrein-stramien. Zijn songs zijn vaak prettig ontregelend en klinken complexer dan je van een basisbezetting gitaar/bas/drums zou verwachten. Impossible Gif en Jewel In The Sun zijn voorzien van vet solerende en jankende gitaren. Het op een simpele riff gebouwde Conduit is een stevig, enigszins chaotisch klinkend nummer met een repeterend piepend gitaarloopje en manische zang die bijna kopje onder gaat in het gitaargeweld. Ook in High Five (Living A Lie) dendert de zang van Mckiel door, begeleid door hakkende gitaren. Still Remain is een Todd Rundgren-achtige ballad. De plaat eindigt met het kale, bijna desolate Memory Cook.
    De eveneens op Daniel Romano’s label You’ve Changed Records onlangs verschenen opvolger van Memorial Ten Count is getiteld Bobby Joe Hope. Deze lp heeft een bijzondere voorgeschiedenis. Mckiel kocht een taperecorder met tapes, waarvan er een instrumentale muziekfragmenten bevatte. Deze stukjes muziek vormden de basis van waaruit de song voor Bobby Joe Hope tot stand kwamen. Het resultaat is een album dat minder rauw en meer psychedelisch klinkt dan zijn voorganger. Het instrumentarium is uitgebreid en de liedjes klinken meer af. Opener Mourning Dove heeft een repeterend zonnig gitaarloopje ondersteund door een zompig orgel en eindigt alsof de plaat lijkt te blijven hangen in de groef. De meeste nummers van deze lp hebben als ondergrond een simpele riff of beat, het ene wat meer eenvormig, dwingend en stevig (zoals Private Eye), het andere meer ingetogen (zoals het meer melodieuze Deeper Shade). Daarnaast bevat de lp twee instrumentale nummers (waarvan What Kind Of Light meer een geluidscollage is).

  4. Donald Byrd – Black Byrd (1973)
    Amerikaanse jazz-trompettist die hier zijn mogelijkheden buiten de jazz verkent. Het levert een perfecte mix op van jazz, soul, r&b en funk. Zo zou bijvoorbeeld het nummer Where Are We Going? van Marvin Gaye kunnen zijn. Door jazz-puristen werd de plaat afgeserveerd, maar het werd wel een artistiek en commercieel succes voor Byrd, en tevens het best verkochte album uit de geschiedenis van recordlabel Blue Note.

  5. Loma – Don’t Shy Away (2020)
    Don’t Shy Away is het twee album van Loma, een samenwerkingsverband tussen enerzijds Emily Cross en Dan Duszynski van Cross Record en anderzijds Jonathan Meiburg, voorman van Shearwater.
    Het breekbare openingsnummer I Fix My Gaze wordt bijna fluisterend door Cross gezongen met lichte blazersaccenten en valt te karakteriseren als pure dreampop. Het op een simpele maar dwingende beat drijvende Ocotillo ontaardt langzaam in een kakofonie van blazers en andere instrumenten. Half Silences doet me denken aan Everything But The Girl. Strijkjes en een achtergrondkoor geven Elliptical Days iets spookachtigs. In Given A Sign zit een tempoversnelling halverwege. Thorn kent een gedeelte spoken word, achtergrondkoortjes en gaat de kant op van de atmosferische muziek van Julia Holter, een vergelijking die ook de kop opsteekt bij het slotstuk Homing.
    Het melodisch fraaie Breaking Waves Like A Stone verdrinkt (in de goede zin van het woord) net als veel andere nummers in een veelheid van geluiden. De bloedmooie titelsong Don’t Shy Away is dromerig met ingehouden instrumentatie.

Playlist 19-10-2020 – 25-10-2020

  1. Karen Jonas – The Southwest Sky And Other Dreams (2020)
    Na haar sublieme countryplaat Country Songs uit 2016 klonken de liedjes op het in 2018 uitgebrachte Butter meer rootsy americana, maar met het onlangs verschenen The Southwest Sky And Other Dreams gaat de uit de Amerikaanse staat Virginia afkomstige Karen Jonas weer een stapje terug richting country, met veel Byrdsy gitaren en volop pedalsteel. Met name gitarist Tim Bray schittert op dit album naast Jonas. Zijn inbreng is te vergelijken met die van Jerry Miller bij Eilen Jewell.
    Het rockabilly-achtige Pink Leather Boots en het een beetje aan Blue Suede Shoes doen denkende Be Sweet To Me zijn de twee opgeruimde liedjes van deze plaat, de overige acht nummers zijn vooral country met veelal een bluesy ondertoon en ijzersterke, verhalende teksten, zoals waar in de fraaie volbloed country van The Last Cowboy (At The Bowling Alley) de nostalgie hoogtij viert: There’s an old girl still working at the countеr / Janet pops the tops off his Budweisеrs / And one time she kissed him in the parking lot / But she pretends not to remember / He takes a long step back / He takes a deep breath / And it flies like it used to / Straight back to 1972 / The girls all watched as his right toe tapped / On the polished wood / He was the king of the yucca valley / Now he’s just the last cowboy at the bowling alley.
    Maybe You’d Hear Me Then is naast een prachtige en ontroerende slowsong ook een vocale tour-de-force, Farmer John sleept lekker en is voorzien van dreigend gitaarwerk, en het intieme Barely Breathing stemt tot weemoedigheid.
    Klasseplaat, kortom! Karen Jonas verdient een groter publiek.

  2. Forever Amber – The Love Cycle (2020-reissue, origineel 1969)
    MOJO magazine described it as “one of the dozen best British pop albums of the late Sixties”, and Record Collector claimed it to be “a low-budget, garage band version of the Zombies masterpiece Odessey & Oracle”. Het zijn de eerste regels van de liner notes – vier pagina’s lp-hoes-formaat – bij deze reissue van The Love Cycle, de enige lp van de Britse psychpoppers Forever Amber.
    Hoewel het mijns inziens te ver voert om The Love Cycle op dezelfde hoogte te plaatsen als Odessey And Oracle, is het zondermeer een fraai staaltje Britse hogeschool-psychedelica, met liedjes die uiteenlopen van barok tot heftige, freakerige psych. In For A Very Special Person is de (samen)zang Beach Boys-achtig, het instrumentale gefreak aan het einde van The Dreamer Flies Back gaat verder dan wat The Zombies deden, Going Away Again roept The Byrds anno 1965 in herinnering en A Chance To Be Free doet denken aan The Mamas & The Papas.
    Helaas klinken de opnamen nogal amateuristisch, maar je hoort met groot gemak de brille door de krakkemikkige productie heen. De lp verscheen oorspronkelijk in 1969 op het kleine Advance label in een – volgens de overlevering – oplage van 99 exemplaren. Er is er ooit eentje op Discogs verkocht voor een slordige 5.500 euro. Deze heruitgave op het al jaren goed aan de weg timmerende Spaanse reissue-label Guerssen is dus voorzien van uitgebreide liner notes plus foto’s.

  3. The Bevis Frond – What Did For The Dinosaurs (2LP RSD 2020, origineel 2002)
    What Did For The Dinosaurs was een van de weinige albums van The Bevis Frond die destijds enkel op cd werd uitgebracht, dus is deze allereerste vinyl-uitgave van dit album in het kader van Record Store Day een zeer welkome.
    In de titelsong zit eigenlijk alles wat de muziek van The Bevis Frond zo aantrekkelijk maakt: tempowisselingen, hard-zacht-passages, psychedelisch gitaarwerk. Verder is dit een behoorlijk song-gerichte plaat, met het karakteristieke, wat nasale stemgeluid van Mr. Bevis Frond Nick Saloman en uiteraard zijn psychedelisch gitaarwerk, dat in Dustbins In The Rain – het 13½ minuten durende slotstuk van het album – weer behoorlijk Hendrixiaanse vormen aanneemt.
    Met deze uitgave op dubbel-lp is nu Hit Squad (2004) nog het enige reguliere studio-album van The Bevis Frond dat nog altijd wacht op een vinyl-release. Iets voor Record Store Day 2021?

  4. Miles Davis – Get Up With It (2LP, 1974)
    Briljante funkplaat waar ik niet op uitgeluisterd raak.

  5. Nouveau Vélo – Bogland (2020)
    Bogland is de derde lp van de Brabantse band Nouveau Vélo. De plaat opent met de titelsong waarin de gitaren fraai weids uitwaaieren. En hoor je in het gedreven tweede nummer – Matryoshka – enkel wat flardjes Feelies, het erop volgende Waves had zo op een Feelies-album kunnen staan: snelle zang en ietwat neurotische maar evenwel melodische en tintelfrisse gitaarpartijen. Deze eerste drie nummers zijn meteen ook de beste drie van een overigens verder ook prima album.